Op elke werkplek is er wel een collega die regelmatig om hulp vraagt. Het kan iemand zijn die nieuw is, die iets moeilijk vindt of die gewoon graag even overlegt. Meestal is dat ook prima, en je helpt graag. Maar als het te vaak gebeurt, kom je zelf niet meer aan je eigen werk toe. Dan ontstaat gemakkelijk irritatie, terwijl je eigenlijk gewoon behulpzaam wilde zijn.
Helpen met een duidelijke grens
Kijk eerst wat de vraag echt is. Soms wil iemand een klein antwoord, soms wil iemand dat jij het overneemt. Vraag rustig: waar loop je precies op vast? Zo help je gericht en voorkom je dat je meer doet dan nodig. Als je iets uitlegt, doe dat dan zo dat de ander het de volgende keer zelf kan. Laat het zien, schrijf het op of laat de ander zelf de eerste stap zetten.
Spreek af wanneer je tijd hebt. Je kunt zeggen: nu kan ik niet, maar aan het eind van de ochtend heb ik even tijd. Zo blijft jouw werk niet liggen, en de ander weet waar hij of zij aan toe is. Een vast moment in de week voor vragen kan ook helpen. Dan bundelt de ander de vragen en hoef jij niet steeds gestoord te worden.
Help de ander om zelfstandiger te worden. Wijs op handleidingen, gezamenlijke mappen of andere collega's die het ook weten. Maak samen een lijstje met dingen die vaak terugkomen, zodat de ander dat bij de hand heeft. Zo groeit het vertrouwen en zijn er minder vragen nodig. Maak duidelijk dat je het fijn vindt om te helpen, maar dat je ook ruimte nodig hebt voor je eigen werk.
Blijf vriendelijk, ook als het even te veel wordt. Niemand hoeft altijd beschikbaar te zijn. Zeg eerlijk dat je het nu druk hebt, zonder de ander af te wijzen. Merk je dat het een structureel probleem wordt, praat dan met je leidinggevende of met de collega zelf. Vaak is wat extra uitleg of oefening de oplossing. Samen kom je er meestal uit, en de sfeer blijft goed.